Voor mij moeten vorm en inhoud allebei van groot gehalte zijn, José Hurkmans

29 juli 2017

José Hurkmans noemt zichzelf een nieuwsgierig mens.  Dat was ze in haar werkzame leven als lerares Nederlands, waarbij ze regelmatig zijstappen zette (examenvragen maken voor Cito, examinator) en dat  is ze nog steeds in haar “gepensioneerde” leven. Naast haar werk in de werkgroep Literatuur is ze voorzitter van een grote leesgroep in Tilburg. Ze reist veel (o.m. naar muziekfestivals in heel europa), schildert en  rijdt paard. Ze schrijft korte verhalen en gedichten. Die laatste noemt José  “de ultieme vorm van literatuur”.

Maar wanneer is iets nu literatuur? Daarover is José duidelijk:  “Voor mij moeten vorm en inhoud allebei van groot gehalte zijn”.  Met vorm bedoelt José de formulering van de zinnen, de taal, de gebruikte metaforen, de structuur, de vooruit-en terugverwijzingen en de spanningsopbouw. De vorm moet kloppen met de verhaallijn. “Het is ook een gevoel dat je krijgt bij het lezen”, zegt ze. “Soms vind ik een boek niet echt literatuur, maar adviseer ik toch deze op de lijst te zetten. Bijvoorbeeld als een boek heel geestig is of heel actueel.”  José vindt het een verantwoordelijke taak om de juiste boeken voor de literatuurlijst uit te zoeken: “Een enkele keer is een boek erg grof of bot. Moet je dat de lezers dan voorzetten?”.

Hoe werkt de werkgroep Literatuur? Hoe komen de leden tot het besluit een bepaald boek op de lijst te plaatsen? José  zorgt samen met zes andere deskundige vrouwen voor de literatuurlijst van Senia. De groep komt drie of vier keer per jaar bij elkaar, te beginnen in september. Ieder lid brengt vier of vijf boeken in, waarvan zij vinden dat het een plaatsing verdient. Na september komt de groep nog enkele keren bij elkaar om te discussiëren en uiteindelijk een door iedereen “gedragen” lijst van twintig boeken te produceren. Een boek komt pas definitief op de lijst wanneer twee andere leden ook lovend zijn.

De werkgroep streeft ernaar dat 60% van de lijstboeken door Nederlandse auteurs zijn geschreven; 40% mag vertaalde literatuur zijn. Soms vraagt een lezer aan de werkgroep om een boek te bekijken. Vaak zijn recensies uit kranten of gewonnen literatuurprijzen een aanzet tot het  lezen van een boek. “Maar zeker niet elk boek dat een prijs heeft gekregen, is naar mijn maatstaf literatuur en als zodanig geschikt voor de lijst” vertelt José.  “En een goede auteur kan ook een minder goed boek schrijven.”

En dan gaat José helemaal los. In een snel tempo bespreekt ze allerlei boeken. “Masser Brock” van Bert Wagendorp; “De onwaarschijnlijke reis van Harold Fry” van Joyce Rachel; “Boven is het stil” van Gerbrand Bakker; “Ik kom terug” van Adriaan van Dis; “Bezorgde burgers” van Steven de Jong;  “Het smelt”  van Lize Spit; “De ondergrondse spoorweg” van Colson Whitehead en nog veel meer. José bekent dat ze naast het lezen van literaire boeken (twee of drie per week) ook graag detectives leest. Bijvoorbeeld van Henning Mankell. Maar waarom dat nou geen literatuur is?

Het valt niet mee om een uur enthousiaste verhalen van José in een A-viertje te gieten. Ze vertelt zo aanstekelijk dat ik serieus overweeg me aan te melden voor een literatuurleesgroep van Senia.

Ria Hullegie